maandag 29 juli 2013

Hoofdstuk 9

Hieronder vind je hoofdstuk 9 van het boek waar ik tot veertien jaar geleden aan werkte. Het boek heet 'De regels en het spel' en ik had negen van de voorgenomen twaalf hoofdstukken geschreven. Toen diende zich een carrière-switch aan die al mijn aandacht vergde. Inmiddels is hoofdstuk 10 af en werk ik aan hoofdstuk 11, 'Hoofdstuk 31' geheten.

(Laat vooral even in een reactie weten wat je ervan vindt...)




Hoofdstuk 23

_ Waarin koel helder water _
en zeven kruimels brood

Er zat zand in de machine. Alle beweging was gestopt. Er gebeurde niets meer, helemaal niets. Slechts het lange wachten nog. En de zon. Natuurlijk. Verder niets. Want er zat zand in de machine.

Vlak voordat ze de brief, waar ze de gehele middag, zittend in de vensterbank, in het diffuse licht dat door het goudgeel en rood verkleurend bladerendek in de tuin, en door het glas naar binnen, scheen, als in een warme lome droom aan had geschreven, dichtplakte, bedacht ze zich nog, haalde het epistel uit zijn overvloedig van parfum walmende omhulsel en voegde een laatste post scriptum toe. Met haar zilveren vulpen, met scharlakenrode inkt gevuld, plaatste ze onderaan het laatste vel, onder de naam Judith, drie kruisjes.

Pas op voor Professoren en Politici!

In de ochtendschemer dwaalt een schimmige figuur door de straten van de stad, klotsend op zijn klompen, onder zijn linkerarm (Let op, het pak papier bevindt zich onder zijn linker arm!) een pak papier, de zelfgebreide sjaal tweemaal om de hals geslagen. Het lijkt niet alsof hij op zoek is naar iets specifieks. En dat is de spijker op zijn kop, want Adriaan van het Hoenderveld is, op dit onchristelijke uur, op zoek naar iets onspecifieks.

In zijn rechterhand droeg hij het koord met de zeven knopen.

De herfstwind woei wild door de esdoornallee, de felgekleurde bladeren dansten als dolle derwishen door de lucht. Een meisje in een wollen jurkje en een maillot, want het was nu toch echt te koud voor kniekousen, huppelde vrolijk en onbekommerd over de van de regen gladde kasseien, haar blikken trommeltje met boterhammen voor tussen de middag in haar linker- en het springtouw van ruwe hennep voor in het speelkwartier in haar rechterhand.
"Eén, twee, drie, vier, hoedje van, hoedje van...één, twee, drie..."
Plotseling hield ze stil. Ze keek omhoog en lachte.